Compendium der voornaamste Mahomedaansche wetten en gewoonten nopens erfenissen, huwelijken en echtscheidingen.

(Compendium Freijer)

 

PLAKAAT-BOEK DEEL VII. 1755-1764

 

EERSTE TITUL.

 

Betreffende het poinct van successie, mitsgaders

alle verdere erffenissen en besterffenissen.

 

Artikel 1

 

    By het overlyden van een man ofte vrouw, wanneer een van beyde, 't zy met of zonder kinderen, komt af te sterven, neemt de langstlevende (vermits geen gemeenschap van goederen onder haar lieden plaats heeft) eerst zyn aangebragte huwelyks schat uyt den boedel.

 

 

Artikel 2

 

    Een man dan komende te sterven en de vrouw zonder kinderen of eenig ander naastbestaande van den overleeden alleen overblyvende, moet na aftrek der begraffenis ongelden, item schulden, mitsgaders vermaakte legaten, 't resteerende van 's mans nalatenschap in vieren werden verdeelt, te weeten:

      een vierde voor de vrouw, en

      drie vierde tot alimentatie van den armen.

 

 

Artikel 3

 

    By nalating van een vrouw en een of meer zoons werd zulks op deze wyze verdeelt, als:

      een agtste voor de vrouw, en

      zeven agtste voor de zoon of zoonen.

 

 

Artikel 4

 

    Een vrouw met een dogter in leven zynde, krygt de eerstgemelde een agtste een de dogter de helft, mitsgaders den armen drie agtste.

 

 

Artikel 5

 

    Dog een vrouw met twee dogters verdeelen de erffenissen in dezer voegeen, te weten:

      een agtste voor de vrouw,

      twee derde voor de twee dogters, en

      vyf vierentwintigste aan den armen.

 

 

Artikel 6

 

    Een vrouw egter met drie dogters, is de verdeeling aldus:

      een agtste voor de vrouw,

      drie vierde voor de drie dogters, en

      een agtste voor de armen; en zo pro rato, na dat 'er dogters in wezen zyn.

 

 

Artikel 7

 

    Dog, wanneer de vrouw met een zoon en een dogter komt over te blyven, valt by de verdeeling:

      een agtste op de vrouw,

      zeven twaalfde op de zoon, en

      zeven vierentwientigste op de dogter.

 

 

Artikel 8

 

    Inzelvervoegen, wanneer 'er meer kinderen als voorschreve een zoon en een dogter komt over te schieten, blyft voor de vrouw een agtste uyt de erffenisse bepaald, mitsgaders voor de zoons een dubbelde portie tegen de dogteren.

 

 

Artikel 9

 

    De vrouw afstervende en de man alleen overblyvende, werd de erffenisse in tweŽn verdeelt, de eene helfte voor de man en de rest tot onderhoud van den armen.

 

 

Artikel 10

 

    Item de man en een zoon in wezen zynde, geniet alsdan de eerstgemelde een vierde, de tweede drie vierde en, zo er meer zonen zyn, pro rato.

 

 

Artikel 11

 

    Edog, wanneer de man en een dogter in 't leven blyven, komt een vierde voor des eerstgemeldens portie, de helft voor de dogter en een vierde ten behoeve van 't armhuys.

 

 

Artikel 12

 

    By de man egter met twee dogters, werd de nalatenschap in twaalven verdeelt, als:

      een vierde voor de man,

      twee derde voor beyde de dogters, en

      een twaalfde voor den armen.

 

 

Artikel 13

 

    En by een man met drie dogters, in twee en dertigen, te weeten:

      drie zestiende voor de man,

      drie vierde voor de drie dogters, en

      een zestiende voor 't meergemelde armhuys;

      en zo 'er meer dogters in leven zyn, pro rato.

 

 

Artikel 14

 

    De man, een zoon en een dogter verdeelen hunne erffenissen in vieren, te weeten :

      een vierde voor de man,

      de helft voor de zoon,

      een vierde voor de dogt er.

 

 

Artikel 15

 

    Dog, wanneer de man met een zoon en twee dogters komt over te blyven, is de repartitie sestien, waar van :

      een vierde voor de man,

      drie agtste voor de zoon, en

      drie agtste voor beide dogters; welke schickinge, in cas van meerder kinderen, bepaald blyft.

 

 

Artikel 16

 

    Indien een man ofte vrouw komt te overlyden en eenelyk vader en moeder nalaat, staat de verdeeling te geschieden in drien, als :

      een derde aan de moeder, en

      twee derde voor de vader.

 

 

Artikel 17

 

    Dog, zo iemand vader, moeder en een zoon nalaat, is 't bepaald op zes gedeeltens :

      een zesde voor de vader,

      een zesde aan de moeder,

      twee derde voor de zoon.

 

 

Artikel 18

 

    En by vader, moeder, zoon en dogter van den overledene, in agtienen, te weeten:

      een zesde voor de vader,

      een zesde voor de moeder,

      vier negende voor de zoon,

      twee negende voor de dogter.

 

 

Artikel 19

 

    Imand vader, moeder en een dogter nalatende, valt de verdeeling in zessen:

      een derde voor de vader,

      een zesde voor de moeder,

      de helft voor de dogter.

 

 

Artikel 20

 

    By vader, moeder en twee dogters van de overleeden, werd de erffenisse egter in agtienen verdeelt, als:

      een zesde voor de vader,

      een zesde voor de moeder, en

      twee derde voor beyde de dogters: en, zo 'er meer dogteren zyn, pro rato.

 

 

Artikel 21

 

    Imand een eyge dogter, mitsgaders een klein dogter (geteeld by des overledens zoon) nalatende, valt de verdeeling mede in zessen:

      de helft voor de eyge dogter,

      een zesde voor de klein dogter, en

      een derde voor den armen.

 

 

Artikel 22

 

    En alschoon, nevens opgemelde eyge dogter, nog twee dan wel meer klein dogters kwamen over te blyven, zo blyft nogtans de verdeelinge als even bepaald, genietende het meerder getal van kleindogters niet meer als een enkelde alleen.

 

 

Artikel 23

 

    Een klein dogter, wiens grootvader en groot-moeder, mitsgaders ouders overleeden zyn, geniet uyt de nalatenschap van gedagte hare grootvader en grootmoeder de geregte helfte; de andere helfte vervalt mede aan 't armhuys.

 

 

Artikel 24

 

    Dog wanneer 'er twee klein dogters in wezen zyn, werd zulks als dan in drie deelen verdeelt:

      twee derde voor beide de klein dogters, en

      een derde aan den armen.

 

 

Artikel 25

 

    Imand nalatende een klein zoon alleen, denzelven competeerd de geheele erffenisse.

 

 

Artikel 26

 

    By een klein zoon en klein dogter egter in drien, als:

      twee derde voor de klein zoon, en

      een derde voor de klein dogter; en, zo 'er meer zyn, pro rato.

 

 

Artikel 27

 

    Wanneer iemand een eyge dogter en een klein zoon, geteeld by des overledenens zoon, komt na te laten, blyft:

      een derde voor de eyge dogter, en

      twee derde voor de klein zoon.

 

 

Artikel 28

 

    Twee eyge dogters en een klein zoon van als even in wezen blyvende, genieten ieder een gelyke portie.

 

 

Artikel 29

 

    Dog by een eyge dogter, een klein zoon en een klein dogter, werd den boedel in zessen verdeelt, als:

      de helft voor de eyge dogter,

      een zesde voor de klein dogter, en

      een derde voor de klein zoon.

 

 

Artikel 30

 

    By twee eyge dogters, een klein zoon en een klein dogter egter, valt de repartitie in negen deelen:

      twee derde voor beide eyge dogters,

      twee negende voor de klein zoon, en

      een negende voor de klein dogter.

 

 

Artikel 31

 

    Overblyvende eene eyge dogter, een klein dogter en een klein zoon van de zoon, welkers vaders alle overleden zyn, werd als dan de erffenisse in sessen verdeelt, te weten:

      de helft voor de dogter,

      een zesde voor de klein dogter, en

      een derde voor de klein zoon van de zoon.

 

 

Artikel 32

 

    Dog by nalating van twee eyge dogters, een klein dogter ende een klein zoon van de zoon, moet de verdeeling al weder in negen delen geschieden:

      twee derde voor de twee eyge dogters,

      een negende voor de klein dogter, en

      twee negende voor de klein zoon van de zoon.

 

 

Artikel 33

 

    Imand een eyge dogter en een eyge zuster nalatende, of schoon van twee differente moeders, als maar van eenen vader zyn voortgekomen, geniet als dan een ieder de geregte helfte; dog in cas van twee dogters, komt op ider een eguale derde portie.

 

 

Artikel 34

 

    Wanneer egter twee zusters en een dogter in wezen zyn, werd als dan den boedel in vieren verdeelt:

      de helft voor de dogter, en

      de helft voor beide de zusters.

 

 

Artikel 35

 

    Twee eyge dogters en twee eygen zusters van den overleeden verdeelen hunne erffenisse in zessen :

      twee derde voor de dogters, en

      een derde voor beide de zusters; en, zo 'er meer zusters of dogters bevonden werden, pro rato.

 

 

Artikel 36

 

    Een man stervende, komt na te laten een vrouw, een eyge dogter en een klein dogter (voortgekomen van zyn bereets overleeden zoon), een moeder en een eyge zuster, geschied als dan de verdeeling in vierentwintig portien :

      een agtste aan de vrouw,

      de helft aan de dogter,

      een zesde aan de klein dogter,

      een zesde aan de moeder,

      een vierentwintigste aan de zuster.

 

 

Artikel 37

 

    Dog, by aldien de vrouw 't eerste komt te overlyden, werd zulks als dan in dertienen verdeelt, als :

      drie dertiende voor de man,

      zes dertiende voor de dogter,

      twee dertiende voor de klein dogter, en

      twee dertiende voor de moeder, werdende nog zuster, nog broeder in dezen begrepen.

 

 

Artikel 38

 

    Een eyge broeder, benevens een stief-broeder van den overleedenen, verdeelen dies nalentenschap in sessen :

      vyf sesde aan de regte broeder, en

      een sesde aan de stief-broeder.

 

 

Artikel 39

 

    Imand aflyvig zynde, nalatende twee broeders of susters van een moeder en byzondere vaders, werd dies boedel mede als dan in sessen verdeelt, te weeten :

      een derde voor beide de broeders of susters,

      twee derden voor den armen.

 

 

Artikel 40

 

    Agterlatende twee broeders of zusters van een moeder en een andere vader, item een eyge broeder en een eyge zuster van den overleedenen, verdeelen haare erffenisse in agtienen :

      een derde voor beide de broeders of zusters,

      twee negende voor de eyge zuster, en

      vier negende voor de eyge broeder.

 

 

Artikel 41

 

    Een vrouw overleydende en haar man, mitsgaders haar groot-vader nalatende, dezelve bekomen ieder de geregte helfte.

 

 

Artikel 42

 

    Zo de man egter 't eerste komt te sterven, werd zulks dan in vieren verdeelt :

      een vierde aan des overleedenens huysvrouw,

      drie vierde aan gemelden haaren groot-vader.

 

 

Artikel 43

 

    Een groot-vader en eyge dogter van den overleedenen genieten uyt de nalatenschap ieder de geregte helft.

 

 

Artikel 44

 

    Dog een groot-vader en twee dogters, ieder een eguaale derde portie.

 

 

Artikel 45

 

    Wanneer een groot-vader of groot-moeder van vaders zyde, item een zoon en een dogter van den overleedenen in het leven zyn, werd als dan de erffenisse in agtienen verdeelt :

    een sesde aan evengemelde groot-vader of groot-moeder,

    vyf negende aan de zoon, en

    vyf agtiende aan de dogter; en zo pro rato, na dat 'er kinderen in wezen zyn.

 

 

Artikel 46

 

    De vrouw agterlatende haar man en haar groot-vader of groot-moeder, mitsgaders een zoon, valt de repartitie in twaalven :

      een vierde aan de man,

      een zesde aan de groot-vader of groot-moeder, en

      zeven twaafde aan de zoon.

 

 

Artikel 47

 

    Dog, in cas van twee zoonen, geschied de verdeeling. in vier en twintig portien:

      een vierde aan de man,

      een zesde aan de groot-vader of groot-moeder, en

      zeven twaafde voor beyde de zoonen.

 

 

Artikel 48

 

    By 't nalaten egter van een zoon en een dogter, is de repartitie aldus:

      een vierde voor de man,

      een zesde aan de groot-vader of groot-moeder,

      zeven agtiende aan de zoon, en

      zeven zes en dertigste aan de dogter.

 

 

Artikel 49

 

    Iemand een groot-vader en een groot-moeder nalatende van vaders kant, by dezelve werd den boedel in sessen verdeelt:

      een zesde aan de groot-moeder, en

      vyf zesde aan de groot-vader.

 

 

Artikel 50

 

    Wanneer van de overleedene komt over te blyven een groot-vader en een groot-moeder van vaders kant, item een groot-moeder van 's moeders zyde, werd de nalatenschap als dan mede in sessen verdeelt:

      twee derde aan de groot-vader van 's vaders zyde,

      een zesde aan de groot-moeder van 's vaders zyde;

      een sesde aan de groot-moeder van moeders kant.

 

 

Artikel 51

 

    By het overlyden van een vrouw, haar man en haar vader, benevens een zoon agter latende, valt de verdeeling in twaalven:

      een vierde aan de man,

      een sesde aan de vader, en

      zeven twaalfde aan de zoon.

 

 

Artikel 52

 

 

    Dog de man stervende en zyn vrouw, item moeder en een dogter in weezen zynde, valt de verdeeling in dezervoegen:

      een agtste aan de vrouw,

      een sesde aan de moeder,

      de helft aan de dogter, en

      vyf vierentwintigste aan den armen.

 

 

Artikel 53

 

    Wanneer een man, te sterven komende, twee vrouwen en een zoon nalaat, geschied de verdeeling in sestienen:

      een agtste voor de twee vrouwen, en

      zeven agtste voor de zoon; en, alschoon 'er meer vrouwen in weezen waren, zo maakt zulks nogtans in deze verdeeling geen alteratie.

 

 

Artikel 54

 

    Een klein dogter van de zoons-kant, alleen in weezen zynde, geniet uyt de nalatenschap van haren groot-vader ofte groot-moeder de geregte helfte; de ander helfte vervalt almede aan 't armhuys.

 

 

Artikel 55

 

    Dog, wanneer 'er twee klein dogters van de zoons-kant en een eyge broeder van de overleedene bevonden werden, dezelve genieten ieder een egaale derde portie.

 

 

Artikel 56

 

    Een volle zuster van de overleedene, alleen zynde, geniet de geregte helfte: de andere helfte vervalt almede aan den armen.

 

 

Artikel 57

 

    Wanneer een vrouw komt te sterven, agterlatende haar man en haar twee eyge zusters, by dezelve werd de erffenisse in zeven verdeelt, als:

      drie zevende voor de man, en

      vier zevende voor beyde de zusters.

 

 

Artikel 58

 

    Twee eyge zusters en een oom van 's vaders kant krygen ieder een gelyke derde portie, welke schikking, in cas van meerder zusters, geene verandering maakt.

 

 

Artikel 59

 

    By het ovelflyden van een vry-gegevene vrouw, agterlatende haar man en een dogter, mitsgaders haar gewezen lyf-heer ofte lyf-vrouw, dan werd haar nalatenschap in vieren verdeelt, als:

      een vierde aan haar man,

      de helft aan de dogter, en

      een vierde aan haar lyf-heer ofte lyf-vrouw.

 

 

Artikel 60

 

    Een vry-gegeven man komende te sterven met nalating van een vrouw en dogter en zyn gewezen lyf-heer ofte lyf-vrouw, deze verdelen haar erffenisse in agten, waar van:

      een agtste aan de vrouw,

      de helft aan de dogter, en

      drie agtste aan gemelde lyf-heer ofte lyf-vrouw.

 

 

Artikel 61

 

    Dog, wanneer diergelyken vrouw komt te overlyden en haar man met twee dogters, mitsgaders haar lyf-heer ofte lyf-vrouw agterlaat, komt als dan uyt de verdeling van twaalven:

      een vierde aan de man,

      twee derde aan beyde de dogters, en

      een twaalfde aan de lyf-heer ofte lyf-vrouw.

 

 

Artikel 62

 

    Genietende daar en legen, by het afsterven van zodanig een vry-gegeven man, uyt de nalatenschap, die in vier en twintigen verdeelt werd:

      de vrouw een agtste,

      beyde de dogters twee derde, en

      de lyf-heer ofte lyf-vrouw vyf vier en twintigste.

 

 

Artikel 63

 

    En laatstelyk alle de descendenten na dezelfde regels en schikkingen, als:

      een klein zoon ofte dies nakomelingen,

      een eyge broeder ofte zyne opvolgers,

      een eyge oom van vaders-kant en, zo 'er geene nadere zyn, genieten de nigten en neven zo veel als eyge zoonen ende dogters.

 

 

TWEEDE TITUL.

 

Observatien by of omtrent den huwelyken staat

 

Artikel 64

 

    Wanneer iemand een vryagie wil beginnen, zo moet zulks mat volkomen consent van 's bruyds ouders geschieden.

 

 

Artikel 65

 

    En, alschoon die niet meer in wezen zyn, is den bruydegom nogtans verpligt aan de bruyds vrienden zyn voorneemen te verwittigen en, des doenlyk, derzelver goedkeuring te verwerven.

 

 

Artikel 66

 

    Dit geobtineerd hebbende, is het wel gebruykelyk, dat bruyd en bruydegom elkander tot een geschenk iets presenteeren, en 't gunt (wanneer het voorgenomen huwelyk van geen succes is) aan wederzyde werd gerestitueerd.

 

 

Artikel 67

 

    Vervolgens treden de ouders dan wel de vrienden, met speciaale voorkennisse van de bruyd, nopens de bruydschat (by haar mas kawien genaamt) met den bruydegom in accord.

 

 

Artikel 68

 

    En daarin overeen gekomen zynde, is gemelde bruydegom gehouden, ter requisitie van de bruyd, het geaccordeerde ten eersten te voldoen.

 

 

Artikel 69

 

    Dan wel werd denzelven, in cas van onvermogen, egter met volkomen bewilliginge van gedagte bruyd, daar voor by aparte rekening belast.

 

 

Artikel 70

 

    Moet voorzegde bruydegom zyn commandant ofte hoofd, onder wien dezelve sorteerd, daar van kennisse geven.

 

 

Artikel 71

 

    Die dan, door de mond van den gecommitteerde tot en over de inlandsche zaken, de vereyschte approbatie van den Hoog-Edelen Groot-Agtbaren heere Gouverneur Generaal komt te verzocken.

 

 

Artikel 72

 

    Waarop vervolgens aan den priester werd bekent gemaakt, dat het bedragen van den bruydschat ofte het zo genaamde mas kawien door den bruydegom bereets voldaan, dan wel dat daar voor op rekening belast is.

 

 

Artikel 73

 

    Moetende zo wel den priester als de commandants van het een en andere pertinente aantekeninge houden en alsdan, onder de gewoonlyke ceremonien, de egt-verbintenisse laten voortgaan.

 

 

Artikel 74

 

    Het huwelyk voltrokken zynde en dat egter, voor de vermenginge, by den bruydegom eenige quade ziekte werd ontdekt, als : lasernie, krankzinnigheyt, of dat uyt eenige ander oorzaak incapabel is gesteld zyne vrouw te bekennen.

 

 

Artikel 75

 

    Is de bruyd alsdan (wanneer zy om een scheyding verzoekt) verpligt ten eersten aan den priester daar van kennis te geven, die vervolgens communicativ met wederzydse commandanten, ten overstaan van den gecommitteerde tot en over de inlandsche zaken de separatie accordeeren; zullende gemelde commandanten daar van mede aanteekening moeten houden, behoudens nogthans, volgens de oude gewoonte, het regt der partyen om, zig beswaard vindende met die mediatie of uytspraak, zig, zonder eenig ander addres toe te laten, aan den regter te konnen addresseeren.

 

 

Artikel 76

 

    Zynde in zulken gevalle de bruyd, verpligt het mas kawien aan den bruydegom te restitueeren.

 

 

Artikel 77

 

    Edog, wanneer zig boven gemelde besmettinge eerst na de vermenging komt op te doen, heeft de separatie mede wel plaats, maar het mas kawien blyft alsdan ten voordeele van de vrouw.

 

 

Artikel 78

 

    En alschoon zodanige ziekte, het zy voor of na de vermenginge, aan 's bruyds kant wierde bespeurt, vervalt meermelde mas kawien voor de vermenging aan de man en na dezelve aan de vrouw.

 

 

Artikel 79

 

    Getrouwde lieden ('t zy om reeden of niet) alleen met wederzyds behagen genegen zynde van elkander te scheyden, is de man verpligt zeekere moeta-â ofte eenige contanten aan de vrouw te geeven, geschikt na mate de vrouw tot het bestaan der huyshouding het haar heeft gecontribueert.

 

 

Artikel 80

 

    Wanneer man ende vrouw in oneenigheit mogten leven en dat laatsgemelde separatie begeert.

 

 

Artikel 81

 

    Zyn de priesters, zo wel als wederzyds commandanten, verpligt de zaak in verschil te onderzoeken en, des doenlyk, assopiatie te bewerken.

 

 

Artikel 82

 

    Dog de vrouw daar geen gehoor aan willende verleenen en dat de man tot geen scheyding genegen is, werden als dan dezelve separatelyk, een ieder by zyne vrienden, bewaart.

 

 

Artikel 83

 

    En vervolgens een nieuwe vergaderinge, zo uyt priesters als officieren der campongs, belegd.

 

 

Artikel 84

 

    Alwaar het verschil voor de tweede en derde reys werd onderzogt en, desmogelyk, de verzoeninge en vereeniging bewerkt.

 

 

Artikel 85

 

    Dog de vereeniging of ruste door die vergadering niet gevonden of hersteld konnende werden, moet de decisie daar over aan den dagelyksche regter gelaten werden.

 

 

Artikel 86

 

    Mits egter de onwillige vrouw aan gedagten haaren man het mas kawien, in steede van enkelt, dubbelt restitueert.

 

 

Artikel 87

 

    De man in tegendeel genegen zynde te scheyden, geeft als dan aan zyne vrouw over den tallak ofte scheydbrief; vervolgens, na expiratie van veertien dagen, de tweede en dan op 't eynde van de maand de derde, geduurende welken tyd de man nog verpligt is zyn vrouw van 't nodige te voorzien.

 

 

Artikel 88

 

    Kunnende ook in tusschen, voor de derde tallak gepasseerd is, wel met elkander weder vereenigen, zonder datze nopens haar verschil imand rede behoeven te geven.

 

 

Artikel 89

 

    Maar na de afgave van de derde tallak moet de scheydinge absolut volgen; zynde ook wel in gebruyk, dat, wanneer de man geresolveerd is zonder nadere bedenkinge van zyn vrouw te separeeren, hy de drie tallacken ofte scheydbriefen te gelyk komt van zig te geven; dog is egter gehouden zyn vrouw nog drie maanden van een woning te voorzien, dan wel zo lange, tot het haar drie reyzen agter een na de wyze der vrouwen gegaan heeft, vermogende ook zodanige vrouw zig niet eerder met een ander in den huwelyken staat begeven.

 

 

Artikel 90

 

    Van die egtscheyding of separatie zal de man kennisse moeten geven aan de wederzydsche commandanten en daar van by haar aantekening gehouden, zonder eenig verder beheer.

 

 

Artikel 91

 

    Is al mede geene vrouw gehouden eenige intrest penningen tot haar alimentatie van de man aan te nemen, maar dezelve haar onderhond moet, navolgens de wetten van Mahomet, enkelt en alleen voort vloeyen uyt eenige negotie ofte des mans eyge handen werk.

 

 

Artikel 92

 

    Een getrouwt persoon in armoede vervallende, waar door buyten staat gesteld is zyn vrouw te onderhouden, en de vrouw, schoon van haar eygen eenige middelen bezit, egter ongenegen iets daar uyt aan haar man te verschieten, kan ze, des begeerende, separatie erlangen, even en indiervoegen als zulks plaats vind en gereguleert is by articul 76.

 

 

Artikel 93

 

    Inzelvervoegen, wanneer de man na deze of geene plaatzen, tot betragting van zyn voordeel, van zyn vrouw afgaat, is hy verpligt, op poene van egtscheyding, dezelve alvorens van haar nodig onderhoud te voorzien, ten overstaan van zyne naastbestaande.

 

 

Artikel 94

 

    Een getrouwde vrouw, haren man ongehoorzaam zynde, staat hem toe voor de eerste reys, des mogelyk, met goede woorden te onderrigten en tot haare pligt te brengen.

 

 

Artikel 95

 

    Edog, voor de tweede keer is hem wel gepermitteerd haar eenigsins gevoelig te corrigeeren, dat egter op een zagte en geen harde wyze mag geschieden en niet, dat 'er eenig lidteeken, 't zy in 't aangezigt ofte elders, te zien is, veel min op eenige gevaarlyke plaatzen des lichaams, dat 'er 't bloed na volgt.

 

 

Artikel 96

 

    Een gesepareerde vrouw, swanger zynde, moet tot haare kraamtyd toe het nodige onderhoud van de man genieten, mitsgaders de kraams ongelden.

 

 

Artikel 97

 

    Zynde de vrouw verpligt drie dagen lang voor niet aan haar kind 't nodige voedsel te geven.

 

 

Artikel 98

 

    Dog na expiratie van dien tyd is de man (de vrouw des begeerende) genoodzaakt tot onderhoud van het kind alle maanden een zeeker tantum aan de vrouw te geven.

 

 

Artikel 99

 

    De vrouw egter ongenegen zynde het kind langer dan drie dagen te houden, is de man als dan verpligt het zelve na zig te nemen.

 

 

Artikel 100

 

    Een man is volgens de wet van Mahomet gepermitteerd vier vrouwen te trouwen, egter maar alleen de zodanige, die tot de vrouwelyke sexe buyten gemeen genegen zyn en de vermogens bezitten zig omtrent dezelve, niet alleen van hare pligt te kwyten, maar ook middelen genoeg hebben haar van het nodig onderhoud te voorzien;

 

 

Artikel 101

 

    Ook is zodanige mannen toegestaan buyten haare egte vrouwen nog zo veel bywyven onder haare protexie te neemen, als hun vermogen toelaat te kunnen alimenteeren.

 

 

Artikel 102

 

    Twee gesepareerde lieden mogen na 't passeeren van de derde tallak zig niet weder vereenigen, 't zy de vrouw alvoorens met een ander man is hertrouwt geweest en van den zelven mede de scheydbrieven heeft erlangt.





    Quelle: van der Chijs, J. A., Nederlandsch-Indisch Plakaatboek 1602-1811. Bd. VII 1755-1764. o. O. 1885-1900, S. 392-407