Compendium der voornaamste Javasche Wetten,

naauwkeurig getrokken uit het Mahometaansche Wetboek Mogharder, en so veel mogeljjk, met het Goddelijke, Natuurlijk en Borger Regt sodanig samen gebragt, dat daarna, ongekrenkt de Javasche gewoontens en gebruikelijkheden, den Samarangschen (2) Landraad over de onderdaanen van Scomps Landen en Districten Regt en Justitie soude kunnen oefenen, en Crimineele Zaken so wel als de Civiele behandelen na de Poincten hier na volgende.

 

(Overgedrukt uit de Nederlandsche Jaarboeken voor Regtsgeleerdheid en Wetgeving, IVde Deel, IIIde Stuk, blz. 353).

 

 

Art. I.

Blasphemie.

 

1.

 

Alle Godslasteraars, roekeloose en valsche Sweerders, die sulx uit quade gewoonten doen, sullen so wel als die geenen, die God, haren Schepper en Beheerscher aller dingen, verwerpen, en andere Goden van hout, steen, koper of andere stoffen maken, dienen en aanbidden, voor de eerste keer door de Priesteren in de Tempelen bij openbare Godsdienst publicq moeten gereprocheert werden.

Voor de tweede keer sullen de zulke in het publiek strengelijk gegeeselt en voor zes weeken vast gezet werden, en

Voor de derde keer sal het regt de sulke Booswigten een stuk van de tong door de Beul moeten laten afkappen, dog wanneer dit feyt met voorbedagtheid, gezonde zinnen en opzet geperpetreert werd, sal den Delinquant ten eersten de straffe evengemeld ondergaan moeten, en alle zijne goederen geconfisqueert werden.

 

2.

 

Alle Mahometanen, die de Propheten verwerpen, lasteren en veragten, zullen verbannen, en alle bare goederen geconfisqueert werden.

 

 

Art. II.

Gequeste Majesteit.

 

1.

 

Die zijn wettig Souverain of Overigheid moorddadigd, jockt of tragt iets quaads toetebrengen, op wat manier en hoe het ook is, zal ter dood veroordeeld en gestranguleert moeten werden, dies kop, tot een afschrik van andere, op een steek gesteld, en het doode lichaam aan stukken gescheurt zijnde, den vogelen ten prooije gegeven, met confiscatie van alle zijne goederen.

 

2.

 

Den geene, die tegens zijn wettige Souverain of Overigheid de wapens opvat, en dezelve lastert, zal, zonder onderscheid van persoon, met de dood gestraft werden; dog dezulke, dewelke bekennen daar over berouw te hebben, en over haar begaan misdaad Pardon komen te verzoeken en obtineeren, zullen eenelijk als trouwloose gehandeld, en haar Eer-Ampten benomen werden.

 

3.

 

Die de gestatueerde ordres van zijnen Souverain of wettige Overigheid wederlegt en quaade ExplicatiŽn daarop maakt, zullen de hairen en beide de lippen afgesneden, en zijne goederen geconfisqueerd werden.

 

4.

 

Die de OrdonnantiŽn en publique Placcaten, op ordre van den Souverain of Hooge Overigheid geaffigeerd, afscheurt, zal de eene hand afgekapt worden, het zij ook om wat reede het is.

 

 

Art. III.

Pligt en Dienstbaarheid.

 

1.

 

Alle de geenen, die zig in het observeren der hoge ordres van de Overigheid traag en nalatig gedragen, zullen voor de eerste keer, na proportie van haar eer-ampten en inkomsten, met een geldboete gestraft werden.

Voor de tweede keer zal de boete moeten verdubbelen, en voor de derde keer zullen de zulke als ongehoorzaame gehandelt, en uit haare bedieningen gezet werden; dog daaronder moeten niet begrepen werden de sulke, die de ordres moetwillig verwerpen en van de hand wijzen, welke ter eerster instantie de straffe des doods onderworpen zijn.

 

2.

 

Die van een Muyteling kennisse draagt en de zulke, die tegens haaren Souverain of Overigheid iets quaads willen ondernemen, niet aangeeft, zal het linker-oor en het hair afgesneden en uit het Land gejaagt werden; dog zo hij zamen gestemt en geraadpleegt heeft met het voormeld boos gezelschap, zal hij so wel als de andere booswigten met bannissement, afsnijdingen van het hair, bijde de ooren en de onderste lip gestraft moeten werden, daarentegen den zulken, die dat aangeeft, zullen een premie genieten, en ook na maate die zaak is, met een eerpost begiftigd werden.

 

 

Art. IV.

Kerken-Roof.

 

1.

 

Kerkenroof en Blamie der Priesters zal met een bannissement gestraft werden, of de diefstal de somma van een quart Dienaar of drie Ropijen niet surmonteert, anders het eerste feyt met de dood, en wanneer iemand een Priester in de kerk of op het kerkhof komt te slaan, zonder reeden, zal hem, omdat bij een Godshuis besmet, de eene hand afgekapt werden; dog zo het geschied in cas van weering, of op een andere plaatse, als voormeld, zal het aangemerkt worden als een particulier dispuit, en daar over naar billijkheid moeten gevonnist.

 

 

Art. V.

Gravenschendinge.

 

1.

 

Die de Graven komt te besteelen, doode lichaamen daaruyt te haalen, en die te mishandelen, zal op die plaats, daar hij het feyt bedreven heeft, drie dagen agter den anderen strengelijk gegeeselt, en voorts voor zes wecken vastgezet werden.

 

 

Art. VI.

Op het stuk van Moord en Doodslag.

 

1.

 

Een man, die zijn vrouw, of de vrouw haar man om het leven brengt, het zij in haastigheid of met voordagt, met een piek, krist, snaaphaan of eenig ander Moorgeweer, is de doodstraffe onderworpen.

 

2.

 

De ouders, die haare kinderen komen om het leven te brengen, zullen met de dood gestraft werden, en zoo ook de kinderen, die haar ouders vermoorden.

 

3.

 

Zullen met de dood gestraft werden alle geene, die een andere dwingen, om iemand om het leven te brengen; dog zo het den dader, of den tot die doodslag gedwongen, niet zelfs ten eersten komt aan te geven, is hij de straffe des doods onderworpen.

 

4.

 

Ook zijn alle de zulke de straffe des doods onderworpen, die een ander zodanig quetsen, dat hij daar van komt te sterven, dog zo de doodslag begaan is met een kleine instrument, als bij exempel een Chiambok, Riet etca, waarmede natuurlijker wijze geen doodslag kan begaan worden, zal dit als dan bij den Regter in consideratie moeten komen, en de Procedure tegens zo een Deliaquant na de omstandigheden en bevindinge moeten voortgezet worden.

 

5.

 

Dog deeze consideratie zal geen plaats hebben omtrent alle de geene, die iemand met een naalde op een plaats van het lichaam, voornamentlijk in de strot, hals en hersenpan, zodanig steeken, dat hij daar van komt te sterven, en de zulke moeten met de dood gestraft werden, ook

 

6.

 

Alle de geenen, die iemand door vergift om het leven laten brengen, en ook de zulke, die een kind of een dwaas mensch met vergift van kant helpen.

 

7.

 

Die een ander in de Rivier, ofte ondiep water instoot, en den ingestootene, die zig daar uit gemakkelijk hadde kunnen helpen, dus moetwillig komt te verdrinken, moet als een ongeluk aangemerkt en den daader eenelijk aan den lijve over zijn onvoorzigtig gedrag gestraft, of een boete opgelegt werden.

 

8.

 

Die iemand, die niet swemmen kan, of een die gebonden of die gebrekkelijk is, in het diep water komt in te stooten, dat daar komt in te smooren, is de straffe des doods onderwerpen.

 

9.

 

Ook den geenen, die een sulke, die swemmen kan, in het water stoot, en dat die door sterke stroom en harde wind, die hem beletten konnen te landen, komt te verdrinken.

 

10.

 

In tegendeel zal den geenen, die iemand in het vuur stoot, en den ingesteotene blijft er inleggen, schoon hij den brand kan ontslopen, en verbrand, sal eenelijk aan den lijve gestraft, of een boete opgelegt werden.

 

11.

 

Die iemand in een put stoot, en den ingestootene komt van den val te sterven, zal met de dood gestraft werden.

 

12.

 

Ook den geenen, die iemand in het water stoot, en dat den ingestootene van een Crocodil of andere zeegedierte werd omgebragt.

 

13.

 

Wanneer twee minderjarige te zamen zijn, en den oudste van de twee commandeert den andere, om iemand te dooden, zo zal den jongsten met een kinderlijke kastijdingen en bannissement, en den oudsten, zo hij boven de 14 jaren is, met de dood gestraft werden.

 

14.

 

Wanneer een bejaard persoon een minderjarig kind of jongeling commandeert en aanvoert, om een ander te vermoorden, zo zal bij den Regter in overweginge genomen werden, of het kind wel zoo veel kennisse bezit, om het geede van het quade te kunnen onderscheiden, en wird dan na bevinding van den Regter geoordeelt, dog die sulx heeft geordonneert, werd met de dood gestraft.

 

15.

 

Alle ongelukkige en wezentlijk met geen voorbedagtheid en bijgeval begaane doodslagen, zullen geen doodstraffe onderwerpen zijn en met een straffe aan den lijve of een boete van 500 Rd s gestraft werden.

 

16.

 

Den geenen die iemand dwingt om zijn zelven om hals te brengen, zal, zoo het bewezen kan worden, met de dood gestraft worden.

 

17.

 

Die een doodslag of anders iets quaads heeft begaan, en uit vrees de vlugt genomen, dog naderhand op goede beloften en parool van vergevinge wederom gekomen zijnde, zal geen leed moeten gedaan werden, en hij zal alleen gehonden zijn, om de op dat feyt, hetgeen hij begaan heeft, staande boete te betalen.

 

18.

 

Een gek mensch of kind, die een doodslag begaat, zal niet ter dood veroordeelt, maar de eerste vastgezet, en den andere strengelijk gegeeselt zijnde, den Priesteren moeten overgegeven werden tot een betere onderwijzinge.

 

19.

 

Een dronkaart een manslag begaande, zal met de dood gestraft worden.

 

20.

 

Een openbare Amokspoeger zal, het zij ook om wat reeden, en schoon hij ook op een of de andere wijze verhindert is, om zijn boos en disperaat voornemen uit te voeren, met de dood gestraft, en tot afschrik van andere met de beenen aan de galg gehangen werden.

 

21.

 

Die tweemaal met een piek, enz. op iemand steekt, en is maar eens geraakt, dat het een wond is, werd met de dood gestraft.

 

22.

 

Den geenen, die een ander heeft gekwest, en den gequesten neemt vergift, en smijt het in de wonde, dat hij er van sterft, zo zal den geenen, die hem heeft gequest, aan den lijve of met geldboete gestraft werden, gereekend een halve doodslag.

 

23.

 

Alle, die na iemand steeken of schieten, en het is niet raak, zullen vrij van de doodstraffe zijn, en eenelijk aan den lijve en met een geldboete moeten gestraft werden.

 

24.

 

Een vrij persoon, die zijne gelijke de hand afkapt, werd met de dood gestraft, en zoo mede de slaven, de een den ander de banden afkappende, dog

 

25.

 

Een vrij persoon, een slaaf de hand afkappende, zal met een geesseling en geldboete worden gestraft.

 

26.

 

Die een in het aangezigt en op het hoofd steckt, kapt, etca., dat het gebeente of de herssens gequest zijn, moet sterven, schoon de wond niet dodelijk is en den gequesten opkomt.

 

27.

 

Komt met de straffen aan den lijve, of geldboete vrij die iemand slaat of stoot, dat er een arm, been, hand, etca. uit het lid raakt, zonder eenige openinge of wonde.

 

28.

 

Den geene die een ander armen, beenen, of wat plaats het is aan het lichaam, quest, het gebeente in stukken staat, werd met een geeseling en geldboete en niet met de dood gestraft, alware het een wond in de buyk.

 

29.

 

ZuIlen mede aan den lijve, ja zelfs met de dood gestraft werden alle de geene, die iemand een stuk van de neus, ooren of mannelijkheid afsnijden of kappen, etc a., als mede die iemand zijn oog uitstoot (met boos opzet).

 

30.

 

Geen straffe of geldboete zal opgelegt werden de geene, die iemand op de handen, aan de kneukels, binnen in de handen, de leeden van de vingers, etca . quetsen, maar zijn vrij met het meesterloon te betalen.

 

31.

 

Zullen aan lijve en met geldboete gestraft werden alle de geenen, die iemand een wond in het hoofd slaan, dat teffens het gebeente gequest is door de slag.

 

32.

 

Den geenen, die een in den arm kapt en herhaalt de slag weder, en kapt hem de arm af, werd mede zijn arm afgekapt, en moet daar en boven voor de eerste kap, die hij heeft gedaan, hetgeen niet meer als een wonde is geweest, een boete volgens goedvinden van den Regter, een wonde toegebragt, of aan den lijve gestraft.

 

33.

 

Wanneer er iemand een wond in het hoofd slaat of steekt, waardoor den gequesten een letsel aan de oogen komt te houden als stiek of bijziende, zo moet den ander, die zulks heeft veroorzaakt, Lijfstraf ondergaan, en een boete buitendien betalen voor dat hij den gequesten zijn oogen heeft bedorven.

 

34.

 

Zo een Personagie van een groote rang wegens een begaane doodslag, gepardonneerd, en niet ter dood, schoon veroordeelt zijnde, gebragt werd, moet voor zijn straft betaalen 1000 goudgeld of 12000 Derhams zilvere specie.

 

35.

 

Die een vrouw quetsen zullen in geldboete geslagen werden, en die zal maar half zo groot mogen wezen, als een boete over quetsure van een Man.

 

36.

 

Alle de geene, die een perzoon komt te quetsen, zonder dat het been is geblesseerd of geraakt aan het hoofd, in het gezigt, zal aan den lijve gestraft, en een geldboete moeten opgelegt werden groot 25 Rds. en 50 Rds. Spaans als het gebeente gequest is.

 

37.

 

Die iemand slaat, of snijd een arm uit het lid, moet aan den lijve gestraft werden, en 25 realen Spaans boete

geld betalen.

 

38.

 

Alle de geene, die iemand op het hoofd slaan, steeken, kappen, etca ., dat het verlies van de herssens kan gezien worden, moeten voor zodanig een wonde betalen 50 Spaans realen, en aan den lijve gestraft worden.

 

39.

 

Die iemand eene kleine wonde, daar het bloed uitkomt en het vleesch kan gezien worden, toebrengt, komt vrij, met maar alleenlijk het Meesterloon te betalen, en een kleine geldboete, vermits het geen doodwond is.

 

40.

 

Zal ook met alle de geene gehandelt moeten werden, die iemand een quetsuur aan het lichaam toebrengen, daar het geen dodelijke plaats is.

 

41.

 

Alle de geene, die iemand onvoorzigtig in de oogen slaan of stooten, dat hij daarvan blind komt te worden, moeten voor een boete aan geld betalen 500 Realen, en voor een oog 50 Realen, en net zoo veel, wanneer den geenen, die zijn twee oogen gequest zijn, door het eene oog nog eenigzints kan zien.

 

42.

 

Zullen aan den lijve gestraft werden, en aan boete moeten betalen 500 Spaanse realen, alle de geene, die iemand alle vier de leeden onder en boven te gelijk van de oogen afkappen, en voor twee, de helfte, en voor een lid 125 Rds. Spaans.

 

43.

 

Het zelfde regt als hier so even van de oogenleeden vermeld staat, zal ook uytgevoerd werden omtrent den geene, die een blind persoon, de vier, twee en een oogelid komen af te kappen.

 

44.

 

Wanneer iemand gequest werd, in het welke der schending van de neus, het vlees van de neusgaten aan weerskanten, dat het vleesch, door het quetsen of verderff, dat er naderhand aankomt, komt af te vallen, of ten eersten werd afgekapt, moeten buiten de lijfstraffe, voor boete betalen 5oo Spaanse realen, ook zoo alle beide neusgaten met de scheidinde te gelijk werden afgehouden, voor een neusgat een derde, voor het middendeel ook een derde, voor het andere neusgat, ook een derde, maakt 500 Spaanse realen.

 

45.

 

De gelijk straffe van boete zijn mede onderworpen alle de geene, die een ander de twee lippen afkappen, en moeten 500 Spaanse realen betalen, en voor een 250 realen Spaans.

 

46.

 

Moeten mede voor boete betalen, alle de geene, die iemand het aangesigt aan weerskanten te gelijk openkappen, tot onder de kin 500 Spaanse realen, en aan een zijde van het gesigt 50 Spaanse realen, en als het heele gesigt onder en boven is afgeschonden, mede 500 Realen Spaans.

 

47.

 

Den geenen, die een ander de tonge afkappen, het zij ook een stom mensch, moet voor zijne begaane misslag aan den lijve gestraft werden, en mede 500 Realen Spaans boete betalen, zonder tegenzeggen, en zo mede het zelfde de geene die een klein of nog suygend kind de tonge afkappen of snijden.

 

48.

 

Die iemand een tand uit de mond slaat, moet dusdanig ook of aan den lijve gestraft werden en daar en boven aan boete 25 Spaanse Realen betalen en voor twee tanden 50, en zo vervolgens, hoe meer tanden hoe meer boete, maar wanneer het maar een stuk van een tand is, werd bij den Regter sulx dan in overweginge genomen, en wanneer de tand maar scheef of op zijde staat, zonder gebroken te zijn, moet den geenen, die zulx heeft gedaan, het meesterloon betalen.

 

49.

 

Het is niede het selfde met de geene, die iemand een tand uit de mond slaan, schoon van te vooren al los heeft gestaan, en moeten voor boete mede 25 Spaanse realen betalen, en meer tanden meer boete als vooren gezegt.

 

50.

 

Alle die een ander een tand, die los in de mond staat, door quaadheid als anderzints uit de mond trekt, moet een Correctie ondergaan, en het meesterloon betalen, zo het den geenen die de tand heeft verlooren, hebben wil.

 

51.

 

Den geenen, die een bejaart persoon een tand uittrekt, zal daarvoor in de boete beslagen werden.

 

52.

 

Moeten aan den lijve gestraft werden en voor boete betalen 100 Spaanse realen, alle de geene, die een ander een lid van de vinger afkappen of snijden, en dat voor elk lid wo veel behalvn voor een lid van de duim, waar voor vijf ontos of 500 Spaanse realen zullen betaalt werden.

 

53.

 

Zuilen met de dood gestraft werden, en mogen, die een ander regt agter tusschen de billen in kappen, door het gebeente, fondament, of voor vrouwspersoon de schaamte afsnijden, en

 

54.

 

Alle de geene, die een vrouws-perzoon de tepels van de borsten afsnijden, moeten voor boete betalen 250 Realen Spaans, en van een mans-perzoon kan men voldoen mit de halve boete, en beide de geleden pijn en smerte en Meesterloon te betalen.

 

55.

Moeten strengelijk aan den lijve gestraft werden, en de boete 500 Spaanse realen alle die een ander slaan op het hoofd, lichaam, etca., en die slag (of meer slagen, is het zelfde) heeft veroorzaakt, als dat die perzoon zijn verstand heeft verlooren.

 

56.

 

Alle de Mahometanen, die een of meer perzoonen komen te dooden, en den doodslager komt tot geene Confessio, en kan hem ook niet werden beweezen met getuigen, zo werd hem door den Regter den Eed afgevordert, en die vijftigmaal agter den ander gedaan hebbende is vrij, dog zo hij wegens de omstandigbeden suspect gehouden werd, zal hij verbannen worden.

 

57.

 

Voor alle de geenen, die buiten in een Dorp of Negorij dood gevonden wenden, zijn de naaste Buuren nevens den Dorp-Hoofd daar voor aanspreekelijk en gehouden reeden en bewijs te geeven van de begaane Doodslag, en dat niet kunnende doen, tal die zelve, schoon onschuldig, wegens haar onoplettendheid een geldboete moeten opgelegd worden.

 

 

Art. VII.

Overspel.

 

1.

 

Alle de geene, die wezenlijk in overspel bevonden worden, zijn, na zulx door vier getuigen is beweezen geworden, de doodstraft onderworpen, te weeten, in zo verre, dat een wettelijk gehuwden man met een wettig gehuwde vrouw overspel hadden bedreven.

 

2.

 

Maar het overspel gecommiteerd zijnde van een egte man met een ongehuwde vrouw zal de voorschr. man voor de eerste keer voor zes weeken vastgezet, en daar en boven gecondemneert werden in een boete van 50 Dienaars, en daar naar meer daarin delinqueerende, met eeuwig Bannissement, en een geldboete van 100 Dienaars.

 

3.

 

De ongehuwde vrouw, die het overspel hadde begaan, zal voor de eerste maal strengelijk gegeeselt, en voor zes weeken vastgezet werden en indien zij na dezen meer op zo een feyt betrapt werd, zal zij wederom gegeeselt zijnde met een bannissement van tien jaren gestraft werden.

 

4.

 

Wanneer een ongehuwde man met een egte vrouw overspel bedrijft, zal hij voor de eerste keer met een geldboete van 50 Dienaans, en voor de tweede keer daar en boven met een bannissemnent van zes jaren gestraft werden, en de voorz. vrouw zal strengelijk gegeesselt zijnde, voor tijd van haar leven gebannen worden.

 

5.

 

Die in overspel werd bevonden en werd gedood van een ander, zo zal den geenen, die zulx heeft gedaan, wederom gedood werden, om dat zulx den man van de vrouw alleen toekomt, maar geen ander, om den overspeelder te dooden.

 

6.

 

Een jonge en een meisje, beyde nog maagt zijnde en werden door vier getuigen te gelijk bevonden, als dat zij met elkander hoererye hadden gepleegt, en zulx wel hebben gezien, of zo wordt den jongeling zo wel als de jonge dogter, ieder dan met hondert slagen gestraft, die ouders of voogden van die beyde in boete beslagen, en de deliquanten vervolgens beyde voor een jaar verbannen.

 

7.

 

Wanneer een man zijn vrouw onschuldig betigt met overspel, werd gestraft met 80 slagen en een geldboete, dog slaven met slaven komen vrij alleen met 40 slagen.

 

 

Art. VIII.

Van het Huwelijk.

 

1.

 

Volgens de Mahometaanse Wetten, is de man gepermitteerd vier vrouwen wettelijk te trouwen, doch mogen niet zijn susters, het zij volle of halve, van dezelve nog zijn schoonmoeder of moeijen zo wel van de vader als moeders kant, veel min zijn eigen dogters, want het huwelijk in de regte linie is ten eenemaal verboden.

 

2.

 

Wanneer iemand zig in den egten staat wil begeeven, en nog geen sestien jaren oud is, het zij man of vrouw, moet daartoe eerst consent van zijn ouders of voogden vragen, en een van beyde wederom willende scheyden, is verpligt bevorens het huwelijksgoed, bij het trouwen belooft, te voldoen.

 

3.

 

Iemand zig zo verlopende, dar boven het toegestaane getal egte vrouwen, nog andere trouwt, zal voor de eerste maal door den Priester in den Tempel berist worden, en een geldboete opgelegt van 20 Dienaars, voor de tweede maal uit zijne bedieninge gesteld en geboet in de somma van 5o Dienaars, en voor de derde maal opgelegt de boete van 100 Dienaars, en uit den Lande gebannen.

 

 

Art. IX.

Dieverije.

 

1.

 

Die een Mahometaan, dat een vrij mensch is, komt te verknopen, zal als een menschendieft moeten aangemerkt, en strengelijk gegeeselt zijnde, en een boete van 25 Dienaars, van 12 Ropias ieder, beslagen werden, als was de verkogte zijn eygen kind geweest.

 

2.

 

Dog die zodanig een vrij mensch komt te steelen, met een intentie, om her buyten 's Lands te vervoeren en te verkopen, zal met de dood gestraft werden.

 

3.

 

Als een dief zijn eygen dieverije bekent of door getuigen werd bezwaarheid, werd hem de regterhand afgekapt, als hij maar het bedragen van een quart Dienaar heeft gestooleu, of als zij met haar twee zo veel steelen, moeten alle beyde ieder een hand verliesen.

 

4.

 

Wanneer vier perzoonen alle de goederen, die zij te zamen hebben gebragt, bij een van haar vieren in huis bergen, en die het in huis heeft komt er maar zo veel, als voor is aangehaalt, van te verminderen, eer dat de goederen zijn gedeelt, werd de hand afgekapt, en hij als een dief aangemerkt.

 

5.

 

De geene, die een muur of pagger doorbreeken, en werden binnen op de plaats betrapt met goederen bij haar, die zij hebben gestoolen, zal de regterhand afgekapt werden.

 

6.

 

Alle die voor de tweedemaal werden betrapt op dieve-ije werden de linkervoet afgekapt, de derde keer de linkerhand.

 

7.

 

Werden de regterhand en de linkervoet afgekapt, die iemand maar de waardije van een quart Dienaar op de wegen ontroven, en voor tweede maal de linkerhand en regtevoet.

 

8.

 

Zo iemand vermoorden, moeten zij zonder tegen zeggen sterven, en van sulke straatschenders zullen de koppen, na dat zij gerigt zijn, op een staak gesteld werden, tot afschrik van andere.

 

9.

 

Die iemand voorsettelijk zijn thuis komt in de brand te steeken zal aangemerkt worden als een rover van een ander mans goederen, schoon die door het vuur niet verteert zijn en zal strengelijk gegeeselt, en de regterhand afgekapt werden.

 

10.

 

En dusdanig ook gestraft werden een Buffeldief, en de zulke die meer als een Buffel heeft gestoolen.

 

11.

 

In tegen die een Buffel, Koebeest, Schaap, Bock of een Paard komt te steelen, zal voor de eerste keer strengelijk gegeeselt worden op de plaats, daar hij het feyt bedreven, en den Eigenaar zijn goed wederom moeten geven; dog voor de tweede keer op dieverije betrapt zijnde, tal hij als voorm. moeten gestraft werden.

 

12.

 

Alle de Pady een aard vrugten dieven, zullen strengelijk gegeeselt, en hun het hair afgesneden werden, en zo

 

13.

 

Zullen ook gestraft worden alle de geenen die Gansen, Eendvogels, Hoenders, en ander Pluymvee van andere komen te ontvreemden.

 

 

Art. X.

Valsche munterij enz.

 

1.

 

Valsche munters en publique overtredere van de hooge ordres van de Overigheid en bedriegers van het Land zullen strengelijk gegeeselt en eeuwig uit de Landen gebannen, ook na de omstandigheden met de dood gestraft werde.

 

2.

 

Zullen de zulke en alle andere Delinquanten, die tot er dood gecondemneert werden, op Samarang te regt gesteld moeten werden, dog alle de andere Delinquanten zullen tot afschrik van de andere haar toegelegde straf ontvangen op die plaats, daar zij het feyt bedreven hebben, ten overstaan van den Fiskaal en de Jaxas van dat District.

 

 

Art. XI.

In cas van Getuigenis.

 

1.

 

Zander confissie zal iemand mogen ter dood veroordeeld worden, ten waar hij door vier geloofwaardige getuigen van het bedreven feyt kan overgetuigt werden.

 

2.

 

Niemand die bevorens met een Delinquant in vijandschap heeft geleeft, bevorens quaad gedaan, en met andeugende Menschen omgang gehad heeft, kan tot zijn nadeel getuigen en niemand tot desselvs voordeel van dies na bestaande en bloed vrienden.

 

3.

 

Een vrouwen getuigenis is een halve getuigenis en twee vrouwen maken uit een getuige.

 

4.

 

Een valsche getuigen zal met de straf gestraft worden, die op het feyt, het geen hij den Delinquant ten laste legt, staat, en den Delinquant, zoo hij niet suspect is, komt vrij, na dat hij tot dus suiveringe vijftigmaal den Eed agter malkander heeft afgelegt.

 

5.

 

Alle, die iemand valschelijk betigtigen, zullen als eerrovers met een gijseling gepriniŽerd werden.

 

6.

 

Die eens door de Justitie is afgestraft, de hand afgekapt en het hair afgeschoren, kan geen getuigenis der waarheid geven.

 

7.

 

Ook geen kind en onwijs mensch, veel min zal men bevoegd zijn zulke afteneemen den Eed, en ook de zulke, die de ouderdom van zestien jaren nog niet bereykt hebben.

 

 

Art. XII.

Testament.

 

1.

 

Alle getuyg-schriften, beloften en Testamenten moeten in presentie van vier mans ef agt vrouwen geschieden, welke dan effect sorteeren zullen.

 

2.

 

Wanneer iemand zonder uitterste wil komt te sterven, zo devolveert de Nalatenschap van desselvs goederen, die hem weezentlijk en niet den Landsheer toekomen, op desselvs nagelatene kinderen, en die niet zijnde op zijne ouderen; dog dezelve insgelijks manqueerende, aan den geenen, die den overledene het naast in den bloede bestaat.

 

3.

 

Indien een huysvader komt te sterven, nalatende anmondige kinderen, staan dezelve onder de voogdije van hunne Moeder en vadere Broeder, die hunne goederen getrouwelijk moeten administreeren, en daar van, wanneer meerderjarig zijn, dat met de zestien jaren is, goede rekenschap woeten geven, dog zal de vader bij zijn Testament ook andere voogden mogen kiesen.

 

4.

 

Geen ouders mogen hare kinderen onterven, nog kinderen haar ouders, ofschoon dezelve tot de vijanden zijn overgeleopen, of ten zij tegens hare ouders zijn opgestaan, of wel eenige Diefstallen hebben geperpetreerd.

 

 

Art. XIII.

Van Koop en Verkoop.

 

1.

 

Iemand een Staaf, Paard, Buffel, Koebeest, Schaap, Bock, Hoenders, of eenige andere dingen verkogt hebbende, moet, zo dra het geld daar voor ontfangt, dezelve leveren, en zo is het ook insgelijks de koper verpligt, prompte betalinge te doen, ten zij het anders geconditioneerd was.

 

 

Art XIV.

Schuldenaars.

 

1.

 

Alle Debiteurs zullen door het regt tot betalinge geconstringeert werden, en den geene, die aan een anderen geld schuldig zijnde, door zijn Crediteur op de weg eenige hoon of smaad aangedaan werd, het zij met ontnemen van zijn krits, kleedje, neusdoek, etca., is hij van al zijn debet ontslagen, en heeft niets te betalen, om dat den Debiteur zijn eigen regter willende weezen, de Justitie ongelijk doet.

 

Art. XV.

Landraad op Samarang.

 

1.

 

Dit Collegie zal bestaan uit zeven der voornaamste Javaanse Regenten, onder Praesidie van den Gouverneur zullen den Regent van Samarang en die van Paccalongang altoos permanente Leeden van dien Raad, dog de andere Ambulatoir en bij de Hooge Indiasse Regering kiesbaar zijn.

 

2.

 

Dien Raad, die uit de Europeesehe Dienaren, een Scriba en een Javaans Secretaris, mitsgaders een Fiscaal zal hebben, zal alle civile en crimineele zaken tusschen Javaan en Javanen na de voorsch. Javaansche Wetten moeten afdoen, en regt spreeken over alle de volkeren in de Landen, Districten onder D'E. comp. resorteerende.

 

3.

 

De Praesident zal authoriteit hebben, om de Leeden van dien Raad te convoceren zo dikwils, als die zaken het vereyschen en hem goed dankt.

 

4.

 

Van de voorschr. agt Leeden zullen altoos zeven praesent meeten zijn, als er iets gedisponeerd word in het crimineele.

 

5.

 

Alle voorvallende gemengte zaken tusschen een Javaan en een Europees, of ook een Javaan en een overwaller of andere uytheemse Natie, blijven onder het ressort van den Raad van Justitie, en gehooren tot die Regtbank niet.

 

6.

 

Dien Raad zal telkens vergadert zijnde, de klagers en beklaagdens in perzoon voor zig te doen komen, derzelven klagten en verweeringen, benevens de getuigenisse, onaangezien de ingewonne verklaringen, bij monde aanhooren, dingtaal houden en na zulks ten eersten regt spreeken, zo wel in crimineel als civile zaken.

 

7.

 

Die Regtbank sal niet bevoegt nog gequalificeert zijn iemand van de Delinquanten, zonder speciale ordre van de Hooge Indiase Regeering, te regt te stellen, en ten dien einde tot de approbatie aan de Hooge Regeering voorm. moeten overzenden alle crimineele geslagen wordende vonnissen, waarop in alle andere door dit Collegie gedecerneerd werdende besluiten geen hooger beroep zal vallen, als bij de Hooge Indiase Regeering voorm.

 

8.

 

Alle de crimineele vonnissen van dien Raad zullen, so veel mogelijk, geexecuteerd moeten worden op de plaatsen, daar de misdaden zijn begaan, dan wel ten minsten op den Passebaan van den Regent van dat District, op dat het quaad door den afschrik der aanschouwers des te klagtiger werde gestuyt.

 

9.

 

In civile zaken zal door die Regtbank de gecondemneerdens na de uitspraake, de tijd van tien dagen verleend werden, om aan het dictum van het vonnis te voldoen, en na verloop van die tijd zullende de gecondemneerdens, bij gebreke van dien, aanstonds met parata executie, tot het voldoen van de sententie, geconstringeert moeten werden.

 

10.

 

Alle confiscatie-goederen zullen ten gelde gemaakt werden, en ten voordeele komen van den Heere van den Lande, zullende de penningen voorn. zo wel als de Boetgelden door den Scriba van dat Collegie bewaard werden en na korting der Heel- en Pijn-Gelderen, volgens Sententie, waarbij dat telkens moet gedecideert werden, zal van het overschot der laastgem. contanten een quart dit Collegie toevallen, waar voor in der tijd een vergaderhuis en het nodige tot die Kamer kan aangekogt werden. Een quart zal zijn ten behoeve van de ouderloose en arme weesen tot Samarang, Een quart voor den Officier van dien Raad, en Een quart voor den Scriba en Javaansche Secretaris.

 

11.

 

Laastelijk zal dien Raad gehouden wezen civile en crimineele Rollen van de zaken daar voor gebragt wordende te doen formeeren, en copia dies jaarlijks aan haar Hoog Edelhedens tot speculatie overzenden.

 

12.

 

Den Praesident en de Leden van dit Collegie, mitsgaders Fiskaal, Scriba en Secretaris zullen de Secreten dezer Regtbank aan niemand openbaren moeten.

 

13.

 

Den Praesident en de Leden van den Landraad sullen in cas van hun voorschr. Ampt bij verkiesinge de navolgende Eed doen.

Eed voor den Praesident en de Leden van den Landraad:

Ik belove en zweere de Doorvlugtige Hoog Mogende Heeren Staten der vrije vereenigde Nederlanden, mijne Souveraine, Zijn Hoogheid, den Heer Prince van Oranje en Nassauw, Stadhouder Capitein en Admiraal Generaal, de Edele Groot Agtbare Heeren Bewindhebberen der geoctroijeerde Nederlandsche Comp. van Oost-Indien, zijn Edelheid den Heere Gouverneur-Generaal ende Raden van India over derzelver Staat in dezen Landen, mitsgaders den Heere Jöan Andries Baron van Hohendorft, Gouverneur en Directeur over de zaken, Plaatsen en Bediendens lang Java, gehouw en getrouw te zullen weezen, het ampt van Raad opregtelijk te bedienen, het regt en voordeel van de Generale Nederlandsche Comp. na behooren getrouwlijk voor te staan en te vervorderen de Secreten dezer Kamer aan niemand te openbaren, en voorts mij sodanig in alles te gedragen, gelijk als een vroom opregt en trouw Raadspersoon toestaat en de betaamt alles, agtervolgens den Generalen Artikel brief ende Placaten bij gem. Comp. den Heere Gouverneur-Generaal en de Raden van India beramt ofte nog te beramen.

 

Art XVI.

Ordre voor den Fiscaal van den Landraad.

 

1.

 

Den Fiscaal zal gehouden weezen, als Officier en voorstander der Justitie te waken, dat onder den volken van S. comp. Landen en Districten ongekrenkt blijven het regt en de goede ordre.

 

2.

 

Alle contraventeurs en tegenstrevers van de Goddelijke en Natuurlijke Wetten zal den Fiskaal in Regten hebben te conveniŽeren en voor deze Regtbank te trekken, zonder aanzien van persoonen.

 

3.

 

Moord, Doodslagen, Huysbraak, Brandstigting en wesmeer zijn delicten hier maar al te gemeen, waartegen den Fiscaal dus naarstiglijk zal hebben te waken, op dat den zodanige in alle andere Misdadigers opgevat zijnde, haar verdiende straffe kan toegelegt werden.

 

4.

 

Van alle de zodanige en meer andere voorvallende delicten in de omliggende Landen zal den Fiscaal door de Jaxasax der Districten kennis gegeven werden, en hij zal gehouden zijn daarvan ten eersten aan den Praesident verslag doen, ten eynde de zoodanige Delinquanten opgeŽyscht kunnen worden.

 

5.

 

Op prive authoriteit en zonder voorkennisse van den Praesident zal hij niet bevoegt zijn, iemand in de boeijens te zetten, en van de daarin rakende zal hij ten eersten informatie moeten neemen en verklaringe laten beleggen.

 

6.

 

Op prive authoriteit en zonder voorkennisse van den Praesident, zal hij niet mogen eenige zakelijkheden, hoe gering of onder wat naam die ook mogen weezen, aftemaken, en niemand zonder aanzien van persoon, verschonen, of ten nadeele van de Justitie colludeeren, op privatie van zijn bediening.

 

7.

 

Hij zal ook niemand, die bij hem klagtig komt vallen, mogen afwijzen, maar den Armen, zo wel als de Rijke, regt doen.

 

8.

 

Om giften en gaven zal den Fiscaal niemand mogen voorstaan, en te vreeden moeten weezen met het hem toegelegde uit de Boetgelderen.

 

9.

 

Alle gemengte zaken tusschen een Europees en een Javaan, of een Chinees of een Javaan, of andere Natie zijn van zijn depart niet, en moet zig daarmede in het geheel niet bemoeijen, veel min die zaken hebben aftedoen, met de klagens renvoijeeren aan den Europeese Fiscaal, op poene voor de eerste maal van vijftig Spaanse Realen ten voordeele van het Weeshuis tot Samarang, voor de tweedemaal hondert gelijke Rijkds. ten voordeele als boven, de betalinge van 100 Realen, op verbeurte van zijn bediening.

 

10.

 

Laastelijk zal den Javaansch Fiskaal zig nauwkeurig hebben toeteleggen op de Wetten bij het compendium vervat, en volkomen kennisse daarvan moeten dragen, om wanneer het zij op ordre van den Praesident en Raad, of ambtshalven ewige actie staat te institueeren, den eyscht bij monde kort en bondig te komen doen met overlegginge der stukken en aanhalinge der Wetten daartoe relatief, en zal voorts op het stuk van zijn bediening de volgende

Eed voor den Fiskaal van den Landraad:

Ik belove en zweere de Hoog Mogende Heeren Staten-Generaal der vrij vereenigde Nederlanden, mijne Souverainen, zijne Hoogheid den Heere Prince van Oranje en Nassauw, Stadhouder, Capitein en Admiraal Generaal, de Heeren Bewindhebberen der geoctroijeerde Nederlandsche Oost-Indische Comp., mitsgaders den Hoog Edelen Heere Gouverneur-Generaal ende Raden van India, gehouw ende getrouw te wezen, Haar Hoog Mogende Regt, mitsgaders dat van D'E. comp. getrouwlijk voortestaan, ende na mijn uitterste vermogen en beste verstand zal hebben bevorderen, dat goede en opregte Justitie aan allen en een iegelijken, die zulks verzoeken, geadministreerd mag worden, zonder oogluiking, haad of gunst van iemand; dat ik alle zaken, naar mijn beste wetenschap en kennisse, den Regter ter goedertrouwe zal te kennen geeven, mitsgaders in dezelve handelen en procedeeren, zo als in consientie en na regten bevinden zal te behooren, dat ik iemand eenige concussie, Extorsie, overlast ofte geweld doen en zal, nog te gedogen, bij mijne Dienaars gedaan te worden; dat ik over eenige Delicten met niemand composeeren, of verdragen zal, ten waare met kennisse van de Overigheid, ofte over kleine breuken, van welke zulx bij Placcaten toegelaten is; dat ik de Secreten des Kamers aan niemand openbaren zal, als een goed ende opregt Officier van Justitie toestaat ende betaamt.

 

 

Art. XVII.

Ordre voor den gesw. Scriba en Javaanse Secretaris.

 

1.

 

Den Scriba nevens den Javaans Secretaris zullen gehouden weezen, alle zaken voor dezelve vallende, praesivelijk te noteeren, am daar na behoorlijk het besluit te kunnen opmaken.

 

2.

 

Zij zullen verpligt zijn twee destinete rollen te houden, een tot civiel en een tot crimineele Processen, en twee distinct sententie Boeken, op dat de crimineele en civiele zaken niet onder malkander kamen te lopen.

 

3.

 

Bij convocatie van den Landraad zullen dezelve altijd de eerste in de vergader zal moeten weezen, om den President te adverteeren van het geen te doen zal zijn.

 

4.

 

Den Scriba zal alle de Proces en andere Papieren tot den Landraad betrekkelijk in zijne bewaringe hebben.

 

5.

 

Ook mede alle geconfisqueerde goederen en Boetgelderen blijven gehouden de goederen met voorkennisse van den President bij publieke vendutie ten gelde te maken, en van deze Penningen zo wel als de Boetgelderen een pertinente Boek houden.

 

6.

 

Beyde Secretaris en Seriba zullen zig voorts in alles gehouw en getrouw, mitsgaders bij belegging der verklaringen, daarbij zij altoos present moeten, naarstig moeten gedragen.

 

7.

 

Zij zullen beyde uit alle de Boetgelderen een quart voor haar aandeel hebben, en dat bedragen onder haar in twee gelijke portien moeten verdeelen.

 

8.

 

Laastelijk zullen de Scriba en Secretaris, bij het aanvaarden van hunne bedieningen, den volgenden Eed doen.

Eed voor den Scriba en Seeretaris van den Landraad:

Ik belove en zweere de Doorvlugtige Hoog Mogende Heeren Staten Generaal der vrije vereenigde Nederlanden, mijne Souveraine, zijn Hoogheid den Heere Prince van Oranje en Nassauw, Stadhouder Capitein en Admiraal Generaal, de Edele Groot Agtbare Heeren Bewindhebberen der geoctroijeerde Nederlandsche Comp. van Oost India, zijn Edelheid, den Heere Gouverneur Generaal en de Raden van India, over derzelver Staat in deze Landen, mitsgaders den Agtb. Heer JOAN ANDRIES Baron van Hohendorff, Gouverneur en Directeur op en langs JavaĎs Noord Oost Cust nevens den Raad gehouw en getrouw te zullen weezen, dit Ampt van Scriba van den Landraad opregtelijk te bedienen, het Regt en voordeel van de Generale Comp. na behooren getrouwlijk voor te staan en te vorderen, de Secreten dezer Vergadering aan niemand te openbaren; en voorts mij in alles zodanig te gedragen, als een vroom, opregt en getrouwe Scriba toestaat en de betaamt, alles agtervolgens den Generalen Artikel brief en de Placcaten, bij gemeld comp. en den Heer Gouverneur Generaal en de Heeren Raden van Nederlandsch India beraamd of te nog te beramen.

Zo Waarlijk helpe mij God Almagtig.

 

 

Art. XVIII.

Ordre voor de respective Jaxsas van de Landen en

Districten onder D'E comp. sorteerende.

 

1.

 

Niet meer als twee Jaxsas mogen in een District en weezen, en dezelve zullen gehouden zijn naauwkeurig agt te slaan, en te reflecteeren, wat onder den volke in haar District ommegaat, waarvan hij steeds opregtelijk verslag moeten doen aan haren Regent, op dat door hem ten eersten gestuyt kunnen worden alle disorders en bewanbedrijven.

 

2.

 

De Jaxsas zullen in haar District, op ordre van den Regent, of met dies consent, alle kleine geschillen en querellen naar de vorige usantien en gebruikelijkheden, mitsgaders Regt en Billijkheid, mogen afdoen, dog over de groote misdaden, als Brandstigtinge, Moord, Doodslag, Huisbraak, Kerkenroof, Grafschenderije, Godslasteringe en wesmeer, zal den Landraad tot Samarang na de Javase Wetten Regt spreeken.

 

3.

 

De Jaxsas zullen dus gehouden zijn van alle zodanige voorvallende Delicten ten eersten kennisse te geeven aan den Javaans Fiscaal alhier en de zoodanige Misdadigers met voorkennis van den Regent ten eersten op te vatten, en onder haar bewaringe tot nader ordre te houden.

 

4.

 

De Jaxsas zullen niet bevoegt zijn, iemand, zonder voorkennisse van haar Regent, in het Blok te stellen, veel min buiten kennisse van den Regent eenige zakelijkheden aftedoen, hoe gering die ook mogen weezen.

 

5.

 

Zij zullen niemand, zonder aanzien van persoon verschoonen of ten nadeel van de Justitie colludeeren op verbeurte van haar bediening.

 

6.

 

De Jaxsas mogen niemand, die bij haar klagtig komt vallen afwijsen, maar de Armen so wel als de Rijken Regt doen, en om geen giften, gaven iemand mogen voorstaan.

 

7.

 

Alle gemengte zaken tusschen een Europees en een Javaan, of een Chinees en een Javaan en andere Natie, zijn van haar depart niet, en moeten zig daarmede in het geheel niet bemoeijen, veel min die zaken aftedoen, maar de klagers renvoijeeren aan den Europeese Fiscaal op verbeurte van haar Bediening.

 

 

Quelle:

van der Chijs, J. A., Nederlandsch-Indisch Plakaatboek 1602-1811. Bd. VI 1750-1754. o. O. 1885-1900, S. 1-30.

und

Het regt in Nederlandsch-Indie (RNI): regtskundig tijdschrift. Nederlandsch-Indische Juristen-Vereeniging Batavia. Bd.. 3. Batavia 1850 S. 361-394.