Reglement op de godsdienstige rechtspraak voor een gedeelte van de

residentie Zuider- en Oosterafd. van Borneo.

(Ord. van 21 Dec. 1937.) S. 37-638 (iwg. 1 Jan. 1938.)

 

 

    Consid, Dat Hij, voor de afdeelingen Bandjermasin (met uitzondering van de onderafdeling Poeloe Laoet en Tanah Boemboe) en Hoeloe Soengei der residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo de godsdienstige rechtspraak in rechtszaken tusschen Islamieten nader willende regelen; enz.

 

Artikel 1

 

    (1) In de afdeelingen Bandjermasin (met uitzondering der onderafdeeling Poeloe Laoet en Tanah Boemboe) en Hoeloe Soengei der residentie Zuider- en Oosterafdeeling van Borneo wordt de godsdienstige rechtspraak in rechtszaken tusschen Islamieten uitgeoefend door :

      a. de kadigerechten,

      b. het opperkadigerecht.

    (2) De standplaatsen en het rechtsgebied van de kadigerechten worden vastgesteld door den Gouverneur-Generaal. Het opperkadigerecht is gevestigd te Bandjermasin en heeft tot rechtsgebied het in lid 1 omschreven gebied. (S. 37-639* hierachter.)

 

Artikel 2

 

    (1) Het kadigerecht bestaat uit een kadi als rechter, bijzitters en een griffier. Aan het gerecht kan een plaatsvervangend kadi worden toegevoegd.

    (2) De plaatsvervangende kadi vervangt den kadi bij afwezigheid, belet of ontstentenis.

    (3) De bijzitters, waarvan er in ieder onderdistrict minstens drie worden aangesteld, nemen zitting bij toerbeurt. door den kadi te regelen, doch zoodanig, dat in ieder geding de bijzitters zooveel mogelijk worden gekozen uit hen, die in hetzelfde onderdistrict woonachtig zijn als partijen of een van hen.

    (4) Bij afwezigheid. belet of ontstentenis van den griffier wijst de kadi een der bijzitters als plaatsvervangend griffier aan.

    (5) De kadi geniet een vaste toelage, de plaatsvervangende kadi, de bijzitters en de griffier genieten zittinggelden.

    (6) De kadi, de plaatsvervangende kadi, de bijzitters en de griffier leggen, alvorens in bediening te treden, in handen van het Hoofd van plaatselijk bestuur hunner woonplaats den bij Gouvernementsbesluit voorgeschreven eed af.

 

Artikel 3

 

    (1) Het kadigerecht is uitsluitend bevoegd tot kennisneming van geschillen tusschen Islamietische echtgenooten en andere rechtszaken het huwelijk, de verstooting, de verzoening en de echtscheiding tusschen Islamieten betreffende, waarbij de tusschenkomst van den godsdienstigen rechter vereischt is, en tot het uitspreken van echtscheiding en het constateeren, dat de voorwaarde eener voorwaardelijke verstooting is ingetreden, met dien verstande, dat ook bij deze geschillen en rechtszaken alle vorderingen strekkende tot betaling van een geldsom en tot afgifte van bepaalde voorwerpen of goederen tot de kennisneming van den gewonen rechter zullen behooren, met uitzondering van die nopens de huwelijksgift en het door den man aan de vrouw verschuldigde levensonderhoud, welke in hun geheel ter berechting staan van het kadigerecht.

    (2) Het kadigerecht is niet bevoegd van de in het vorige lid genoemde rechtszaken kennis te nemen, indien daarop het Burgerlijk Wetboek van IndonesiŽ van toepassing is.

    (3) Indien de uitvoering van een door het kadigerecht of door het opperkadigerecht inzake huwelijksgift of levensonderhoud gewezen vonnis, dat kracht van gewijsde zaak heeft, dan wel de betaling der in het vonnis opgelegde gerechtskosten niet vrijwillig geschiedt, kan door den belanghebbende een afschrift van het vonnis worden aangeboden aan den voorzitter van den landraad binnen wiens rechts gebied het kadigerecht gevestigd is.

    (4) Deze verklaart het vonnis, nadat hem gebleken is, dat het kracht van gewijsde heeft, executoir door aan het hoofd te stellen de woorden :

    ,,In naam des KoningsĒ en aan denvoet de door hem gedagteekende en onderteekende verklaring, dat het vonnis is executoir verklaard.

    (5) Daarna kan het vonnis ten uitvoer gelegd worden naar de gewone regelen van tenuitvoerlegging van burgerlijke vonnissen der landraden.

    (6) Beslissingen van het kadigerecht of opperkadigerecht, waarbij overschrijding van bevoegdheid heeft plaats gehad of waarbij de artt. 6, 7 of 14 van dit reglement niet zijn nageleefd, zijn niet vatbaar voor executoirverklaring.

 

Artikel 4

 

    (1) Bevindt een rechtbank of gerecht bij kennisneming van een burgerrechtelijk geschil, dat aan de beslissing daarvan die van een geschilpunt moet voorafgaan, behoorende tot de bevoegdheid van het kadigerecht, dan wordt de verdere behandeling uitgesteld en het geschilpunt, dat tot de bevoegdheid van het kadigerecht behoort, door de rechtbank of het gerecht bij het kadigerecht aangebracht.

    (2) Het kadigerecht vermeldt in zijn beslissing door welken rechter het geschilpunt is verwezen en deelt deze, zoodra zij onherroepelijk geworden is, dan wel de door het opperkadigerecht in hooger beroep genomen beslissing, aan den betrokken rechter mede.

    (3) De toezending van de stukken aan het kadigerecht geschiedt, behoudens in geval van onvermogen, zoodra door eischer het bewijs wordt overgelegd, dat door hem de in art. 10 genoemde gerechtskosten zijn betaald, welk bewijsstuk tegelijk met de stukken aan den griffier van het kadigerecht wordt overgemaakt.

 

Artikel 5

 

    Het kadigerecht houdt zooveel mogelijk zitting in de hoofdplaats van het onderdistrict, waar minstens één der partijen woonachtig is.

 

Artikel 6

 

    Het kadigerecht neemt geen beslissingen of beschikkingen dan in bijzijn en na advies van ten minste twee bijzitters.

 

Artikel 7

 

    (1) De beslissingen en beschikkingen van het kadigerecht worden met korte vermelding der beweegredenen en van den inhoud van het advies van de bijzitters in schrift gebracht, van een dagteekening voorzien en door den kadi, de geraadpleegde bijzitters en den griffier onderteekend.

    (2) In die beslissingen en beschikkingen worden voorts opgenomen een korte vermelding van de beweringen van partijen en getuigen, alsmede de verklaring. dat de eischende partij het bedrag der verschuldigde kosten in 's Lands kas heeft gestort dan wel een bewijs van onvermogen overgelegd.

 

Artikel 8

 

    (1) Aan belanghebbenden wordt een volledig en door den griffier van het kadigerecht onderteekend afschrift van de beslissing of beschikking kosteloos uitgereikt. Slechts indien zulks binnen een maand na de uitspraak, tengevolge van zijn, uit een schriftelijke verklaring van het districts- of onderdistrictshoofd van de woonplaats van den belanghebbende gebleken onvindbaarheid onmogelijk is, geschiedt de bekendmaking van het vonnis door aanplakking aan het zittingsgebouw van het kadigerecht.

    (2) Aan het hoofd van ieder afschrift wordt vermeld, dat en binnen welken termijn van de beslissing bij den kadi hooger beroep kan worden aangeteekend.

    (3) Van den datum van uitreiking of aanplakking wordt in het in art. 9 bedoelde register aanteekening gehouden.

 

Artikel 9

 

    De beslissingen en beschikkingen van het kadigerecht worden in haar geheel door den griffier in een door het Hoofd van plaatselijk bestuur ter standplaats van den kadi op het eerste en laatste blad gekantteekend en op de overige bladen genummerd en gewaarmerkt register opgenomen, hetwelk elke drie maanden ter kennisneming wordt aangeboden aan het (onder-) districtshoofd, dat het register voor gezien teekent en terugzendt.

 

Artikel 10

 

    (1) Hij, die de beslissing of tusschenkomst van het kadigerecht inroept, stort vooraf in 's Lands kas een bedrag van  6.-, tenzij uit een bewijs van onvermogen, afgegeven door het onderdistrictshoofd van zijn woonplaats, blijkt, dat bij tot het betalen van die kosten niet in staat is.

    (2) Het kadigerecht neemt de zaak niet in behandeling dan nadat hetzij het bewijs van storting van de kosten, hetzij het bewijs van onvermogen is overgelegd.

    (3) Het kadigerecht kan in zijn vonnis de in het ongelijk gestelde partij veroordeelen tot geheele of gedeeltelijke terugbetaling van de kosten aan dengene. die de beslissing van het gerecht heeft ingeroepen.

 

Artikel 11

 

    Indien zich een geschil over bevoegdheid tusschen het kadigerecht en een ander gerecht of een rechtbank voordoet, dient het kadigerecht, de rechtbank of het andere gerecht, dan wel een der belanghebbenden een schriftelijk verzoek in bij den Gouverneur-Generaal, die, na ingewonnen advies van het Hooggerechtshof, in overeenstemming met den Raad van IndonesiŽ, uitspraak doet, onder vernietiging van het onbevoegdelijk gewezen vonnis en van zijne gevolgen.

 

Artikel 12

 

    (1) Van de beslissingen en beschikkingen van het kadigerecht kan binnen 14 dagen na de uitreiking van het afschrift van de beslissing of beschikking aan de belanghebbenden of binnen een maand na aanplakking van het vonnis aan het zittingsgebouw van het kadigerecht hooger beroep worden aangeteekend bij het opperkadigerecht.

    (2) Degeen, die van het middel van hooger beroep wil gebruik maken, legt, met gelijktijdige overlegging van een bewijs van storting in 's Lands kas van een bedrag van  6.- of van een bewijs van onvermogen, de daartoe strekkende verklaring af voor den kadi. die de beslissing of beschikking heeft genomen. De verklaring zal niet worden aangenomen na verloop van den vermelden termijn en evenmin, indien daarbij niet tevens een van bedoelde bewijzen wordt overgelegd.

    (3) Lid (3) van art. 10 is op het opperkadigerecht van overeenkomstige toepassing.

    (4) De griffier houdt van het verzoek om hooger beroep aanteekening in het register, bedoeld in art. 9 en geeft onmiddellijk aan de wederpartij kennis van de aanteekening van hooger beroep, van welke kennisgeving een schriftelijk bewijs wordt opgemaakt.

    (5) Partijen kunnen binnen 14 dagen na die aanzegging bij het kadigerecht en daarna tot aan de einduitspraak bij het opperkadigerecht geschriften indienen om hun standpunt uiteen te zetten.

    (6) Na verloop van dien termijn van 14 dagen zendt de griffier van het kadigerecht zoo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen 30 dagen een afschrift van de beslissing of beschikking, waartegen het hooger beroep is ingesteld,. met alle daarbij behoorende stukken aan het opperkadigerecht, dat volgens de bepalingen van de volgende artt. daarin uitspraak doet.

 

Artikel 13

 

    (1) Het opperkadigerecht bestaat uit een opperkadi als rechter, bijzitters en een griffier. Aan het gerecht kan een plaatsvervangend opperkadi worden toegevoegd.

    (2) De plaatsvervangende opperkadi vervangt den opperkadi bij afwezigheid, belet of ontstentenis.

    (3) Bij afwezigheid, belet of ontstentenis van den griffier wijst de opperkadi een der bijzitters als plaatsvervangend griffier aan.

    (4) De opperkadi geniet een vaste toelage, de plaatsvervangende opperkadi, de bijzitters en de griffier genieten zittinggelden.

    (5) De opperkadi, de plaatsvervangende opperkadi, de bijzitters en de griffier leggen, alvorens in bediening te treden, in handen van den resident den bij Gouvernementsbesluit voorgeschreven eed af.

 

Artikel 14

 

    Het opperkadigerecht neemt geen beslissingen of beschikkingen dan in bijzijn en na advies van tenminste twee bijzitters.

 

Artikel 15

 

    Het opperkadigerecht neemt in hoogste ressort kennis van bevoegdheidsgeschillen tusschen kadigerechten en voorts van alle beslissingen en beschikkingen van de kadigerechten, waarvan hooger beroep is aangeteekend.

 

Artikel 16

 

    De door een kadigerecht aan het opperkadigerecht in hooger beroep toegezonden zaken worden door het opperkadigerecht op de stukken afgedaan, behoudens de bevoegdheid van het opperkadigerecht partijen of getuigen te doen verschijnen om het onderzoek aan te vullen.

 

Artikel 17

 

    Op de eindbeslissingen en eindbeschikkingen van het opperkadigerecht is van overeenkomstige toepassing het bepaalde in de artt. 7 en 9, met dien verstande, dat het in laatstgenoemd art. bedoeld register elke drie maanden ter kennisneming wordt aangeboden aan den voorzitter van den landraad te Bandjermasin, die het voor gezien teekent en terugzendt.

 

Artikel 18

 

    (1) De griffier van het opperkadigerecht zendt onverwijld een door hem onderteekend afschrift van de beslissing of beschikking aan het betrokken kadigerecht.

    (2) Zoodra de kadi het in hooger beroep gewezen vonnis heeft ontvangen, zal bij het op de wijze als in art. 8 omschreven aan partijen aanzeggen of doen aanzeggen en van deze verrichting op het vonnis aanteekening houden.

 

Artikel 19

 

    Alle processueele geschriften, uitsluitend bestemd om te dienen in rechtsgedingen voor het kadigerecht dan wel het opperkadigerecht, de voor partijen bestemde afschriften van de in die rechtsgedingen genomen beslissingen en de geschriften tot tenuitvoerlegging daarvan, alsmede de verzoekschriften in een jurisdictie geschil en de daarop gevallen uitspraken zijn vrij van zegel.

 

 

Quelle: De Wetboeken, Wetten en Verordeningen benevens de Grondwet van de Republiek Indonesie. Disusun menurut Sistem Engelbrecht. Jakarta 1992, S. 784-787.